Plichtsbesef

Plichtsbesef

Enige marginale mijmeringen bij het mediabombardement omtrent Karl Ove Knausgard.

Van de lievelingen uit de niche waarin ik gelukkig ben geworden — volgens mijn hoogstpersoonlijke definitie van ‘geluk’, waarvan ik u verder wellicht beter de details bespaar – van die zielsverwanten dus vond tot op vandaag niemand al de tijd en de bezieling om ‘Liefde’ te lezen van de Noor Karl Ove Knausgard, een snede uit zijn verrassend goed verkopende boekwerk ‘Mijn strijd’, dat drieduizend vijfhonderd bladzijden onverbloemde , autobiografische literatuur telt.

Wie doet het hem na. Wel zoemt zijn naam ons al als een bekende cellosonate in de oren en weten we bijna allen dat het boek om diverse redenen een diamant genoemd moet worden zonder voorgaande, niet in het minst omwille van de ongenadige eerlijkheid over het titanengevecht met de alledaagsheid en de bewonderenswaardige, jarenlange zelfdiscipline van de schrijver waardoor deze gigantische worp mogelijk werd.

Mijn liefsten en ik weten dit op basis van de wervende krantenkoppen, de auteursfoto’s en dito citaten boven, tussen en onder de artikels en de interviews in de kwaliteitskrant en het weektijdschrift, die we al meerdere jaren nog slechts oneerbiedig diagonaalsgewijze doorbladeren en dan nog wel meestal vlak voor het slapen gaan, op enige blauwe maandagen per maand na.

We vragen ons vaker dan u denkt kritisch bezorgd af of we niet te lui zijn geworden of ronduit gedesinteresseerd in de grote wereld, of dat we simpelweg de praktische, elastische vaardigheden missen van de schrijver en zijn opgezette lezers, om alles wat het leven ons zeven dagen op zeven serveert, uitgekiend te combineren, zijnde werk, gezin, familie, film, muziek, literatuur, sport, vriendjes van kinderen, ouders van vriendjes van kinderen, buren, huisdieren, moestuin  et alia.

We leiden immers af uit diezelfde imposante boven– en tussentitels in krant en magazine dat ‘Liefde’ precies dat slopende, bijtijds zonder meer gekmakende mechaniekje van de alledaagsheid tot confronterend, waarachtig, amechtig en vreugdeloos onderwerp heeft.

Wij in onze nis vinden de elementaire titel ‘Liefde’ en de overkoepelde titelkeuze ‘Mijn strijd’ zonder meer pathetisch – u ziet, een toestand van zen hebben we nog niet bereikt. In tegenstelling tot Knausgard ervaren wij onze levens — ik geef het hier grif toe – niet als een strijd, maar veeleer als iets dat nog het best in de buurt komt van een goed bedoelde grap.

We schrijven die fundamenteel andere existentiële sensatie toe aan het gemaakt hebben van uitdagende keuzes die er vooral op neer komen niet elk ogenblik van de dag in beslag te worden genomen door de uitputtende opbouw van zijn ego – laat ik hier deeltijds gaan werken noemen.

Samen met die keuzes lijkt er een verpletterende last van onze schouders te zijn gedonderd, met name het plichtsbesef waarmee we werden opgevoed om, overeenkomstig onze aangeboren talenten, als opgepompte, zelfverklaarde intellectuelen, de ons toekomende positie in de maatschappij te gaan bekleden. Omdat de samenleving dat van ons verwacht en mag verwachten.

Sinds wij kinderen groot brengen, kregen we het met al onze menselijke tekorten niet meer voor mekaar om op een bevredigende, zwierige en gezonde manier de job van ons leven voor tweehonderd procent af te stemmen op het vreugdevol opvoeden van de kroost. En vice versa. Erger nog, geleidelijk aan deprimeerde ons het aanzwellende medelijden met onszelf en met al die andere mindere goden, die op de toppen van hun tenen rennen om aan de verlangens van alles en iedereen te blijven voldoen en bijgevolg bij voorkeur hun kinderen aan de kapstok zouden hangen om hen er ’s avonds , een kwartier voor bedtijd, terug af te haken.

Na een kort onderzoekje – glimlach gerust — stelden we tot onze opluchting vast dat de generaties voor ons dit al lang wisten. En toen wisten we het ineens ook! Van een ‘déjà vu’ gesproken! Artistieke genieën wisten dat eerder ook en richtten er hun bestaan naderhand naar in. Geen Mulisch, geen Picasso, geen Márquez et alii die zich inlieten met prutsende, snotterende kinderen en met alledaagse, huiselijke besognes, laat staan dat ze zich er het hoofd door op hol lieten brengen. Dat daarentegen een Knausgard daar wél met verve zou in slagen en dat als onderwerp neemt voor boeken, kan ons maar moeilijk warm maken.

Edoch, naar onze mening in deze werd dusver nog niet gevraagd. Soms lachen we dat we sneller dan ons lief is marginaliseren. Want ook dat vinden we niet meer zo erg. Ik tel ondertussen meer dan honderd goddelijke schepsels op ons maatschappelijk schiereilandje zonder mediageweld en oude en nieuwe meesterwerken.

Sacha Blé, 12/3/2013.