Ida Gerhardt heeft geen biografie nodig

Ida Gerhardt heeft geen biografie nodig

Een pleidooi voor de oproep van Ida Gerhardt

Reeds meer dan tien jaar lees ik als jonge dichter met verwondering in de Verzamelde Gedichten van Ida Gerhardt (1905–1997), de Nederlandse classica die tussen 1940 en 1988 veertien originele gedichtenbundels liet verschijnen en, afzonderlijk, twee langere, epische gedichten. Daarnaast liet ze ondermeer twee in ruimere kring opgemerkte en gesmaakte vertalingen na. Zo vertaalde ze de Psalmen van het Oude Testament uit het Hebreeuws en van de Latijnse dichter Vergilius (70 v.C.-19 v.C.) de Georgica, de vier boeken in verzen over de boerenstiel in Italië in de eerste eeuw voor Christus. Men kan in haar poëzie een bijbels motief en een klassiek element onderscheiden naast gedichten die het dichterschap en het ontstaan van een gedicht tot onderwerp hebben. Haar oeuvre straalt een imponerende sérieux en voornaamheid uit en komt over als een monoliet, in de zin dat Ida Gerhardt gedurende haar ganse leven dezelfde poëtica aanhield. Als dichteres lijkt Gerhardt gedurende het grootste deel van haar leven minder aandacht te hebben genoten dan als vertaalster en nieuwe publicaties over haar werk zoomen vaker in op haar eigenzinnige, tegendraadse karakter en arctische levenshouding, dan op de puur dichterlijke kwaliteiten van haar poëzie. Nochtans heeft Gerhardt er haar leven lang over gewaakt dat men haar werk en niet de maker ervan alle aandacht zou geven. Het was haar bedoeling een oeuvre na te laten waarachter zij als schrijfster anoniem verdwenen was. Om zichzelf bij leven reeds zo goed mogelijk onzichtbaar te maken, verkoos ze te wonen op geïsoleerde plaatsen. Vakanties bracht ze steevast door in een uithoek van Holland, in een klooster of op een Iers of Deens (schier)eiland en, op schaarse uitzonderingen na, stond ze geen interviews af aan krant, radio of televisie. Van bezoek verwachtte ze, à la Streuvels, dat het aangekondigd kwam.

Sinds het einde van de negentiende eeuw is het evenwel meer en meer bon ton geworden om bij de lectuur en de appreciatie van een literair werk andere criteria dan de naakte tekst op de voorgrond te brengen. De lectuur van het gedicht als een op zichzelf staande artistieke creatie, los van historische, biografische of andere kaders, werd als onvoldoende, onvolledig en ontoereikend afgedaan. Ook het oeuvre van Gerhardt ontsnapte daar niet aan. Zo zou volgens meerdere literatoren Gerhardts poëzie een schoolvoorbeeld zijn voor psychoanalyse wegens het gewicht van een nooit volledig verwerkte moeder-dochterrelatie en een veronderstelde lesbische geaardheid. Dat men op die manier zonder fatsoen de door de dichteres meermaals herhaalde oproep van tafel veegt tot autonome lectuur van haar werk, vormt voor die literatuurwetenschappers klaarblijkelijk geen bezwaar. Eén van die expliciete oproepen deed Gerhardt in 1979, als vierenzeventigjarige (!), in een aantekening bij haar twaalfde bundel Het sterreschip. Ze schreef : ‘Het menen te weten (subs. het menen te moeten weten) which is which en dergelijke kan ik de lezer niet genoeg ontraden. Met een dergelijke instelling verspert men zich, van het begin af, de toegang tot het vers.’ Bij Marie van der Zeyde, de vrouw die Ida Gerhardt, sinds hun samenleven vanaf de jaren vijftig, beter dan wie ook moet hebben gekend, luidt het in het Voorwoord van De wereld van het vers, een monografie over Gerhardt : ‘Een vers lezen met de gedachte iets van de dichter aan de weet te komen, is ingaan tegen het wezen van de poëzie. Een vers is een vers.’ Verderop, in een paragraaf met als titel Zelfportretten, schrijft van der Zeyde : ‘Van schilders kan men soms vernemen dat zij zelfportretten maakten omdat zij hun eigen goedkoopste schildersmodel waren […] Die overweging hoeft voor schrijvers niet te gelden. Het zelfportret van een schrijver verraadt in het algemeen dat hij zichzelf, zijn eigen persoon, de moeite waard heeft gevonden om aandachtig bij stil te staan: bewonderend, vertederd, kritisch, uitdagend… In die zin zal men bij Ida Gerhardt geen zelfportret aantreffen. Haar aandacht is zelden of nooit expliciet gericht op haar eigen persoon, zij zou daar al gauw ijdelheid in zien, of sentimentaliteit. […] Wat dan bij haar wél als een zelfportret moet worden gezien, is moeilijk met zekerheid te bepalen.’ Dat Gerhardt toch toeliet dat twee, met persoonlijke anekdotes verrijkte, monografieën van de hand van Marie van der Zeyde het licht zagen – De wereld van het vers en De hand van de dichter — kan als een toegeving geïnterpreteerd worden vanuit haar schrik dat haar dichtwerk wezenlijk verkeerd zou gelezen worden. Eind de jaren zeventig was Gerhardt immers gebrouilleerd geraakt met één van haar trouwste recensenten, de benedictijn Frans Berkelmans (1930), omdat ze oordeelde dat hij haar gedichten op schoolmeesterachtige manier autobiografisch versmallend betuttelde.

Vele facetten van Gerhardts poëtica wijzen in de richting van een symbolistische poëtica. Het symbolisme dat als artistieke stroming vooral uitging van de Franse dichters Baudelaire (1821–1867), Verlaine (1844–1896) en Mallarmé (1842–1898), wordt in de Nederlandse letteren conventioneel tussen 1905 en 1920 afgebakend. In Nederland gaf Albert Verwey (1865–1937) met de oprichting in 1905 van het literaire tijdschrift De Beweging het Nederlandse symbolisme een stem en podium, in Vlaanderen werd Karel van de Woestijne (1878–1929) de bekendste symbolistische dichter. Omdat Gerhardt pas debuteerde in 1940 – een slecht tijdstip om te debuteren, zou wijlen Gerard Reve later toegeven – kan ze gemakshalve een postsymboliste genoemd worden. Volgens symbolisten is de dichter een maker die vertrekt van een persoonlijke ervaring om die kunstzinnig te transformeren tot een tijdloze gebeurtenis waarachter de identiteit van die maker verdwijnt. Symbolistische poëzie heeft geen aandacht voor het tijdelijke. Poëzie hoort van het tijdelijke iets eeuwigs en onvergankelijks maken. Gedichten zijn geen gevoelens maar ervaringen, schreef Rainer Maria Rilke, dé eminence grise van de symbolisten. Samen met het universeel menselijke van de persoonlijke ervaring komen zo de tekst zelf, de magie van woord en taal, centraal te staan. Door haar bewuste engagement voor een verborgen manier van leven, heeft Ida Gerhardt geprobeerd om alle aandacht te vragen voor dat mysterie van woord en taal. Ze wou leven in verwondering en die verwondering vroeg ze, behalve voor sommige oude teksten zoals de Georgica en de Psalmen, ook voor haar eigen poëzie, waarin ze hoopte de degelijkheid van die oudere poëzie te bereiken en te bewaren.

Wat moet men weten over Gerhardts leven en wandel om haar poëzie te (kunnen) smaken? Niets, me dunkt. De voorbije tien jaren leerden me dat, in het geval van Gerhardt, een volledigere kennis van haar biografie het genieten van haar gedichten niet verdiept. Laat ik verwijzen naar een boutade over de Griekse lyrici uit de zevende eeuw voor Christus, de dichters die Gerhardt na aan het hart lagen : ‘Een archaïsch Griekse dichter heeft geen biografie en heeft die ook niet nodig ‘. Ida Gerhardt, meen ik, kan evengoed zonder.

Sacha Blé, augustus 2006

Bibliografie (een selectie):
S. Dresden, Symbolisme. Synthese, stromingen en aspecten. Amsterdam 1980.
I. Gerhardt, Nu ik hier iets zeggen mag, Amsterdam 1981.
I. Gerhardt, Verzamelde gedichten, Amsterdam 2002.
I. Gerhardt, Courage! Brieven. Bezorgd door Ben Hosman & Mieke Koenen, Amsterdam 2005.
M. Giebel, Sappho. Vertaald door Jaap en Keeske van Rossum du Chattel, Utrecht 1993.
M. de Groot, In gesprek met Ida Gerhardt. Interviews, brieven, gedichten en beschouwingen, Baarn 2003.
D. Idzinga-M. van den Berg, Trots en in zichzelf besloten. Ida Gerhardt, afkomst en eerste deel van haar leven, Kampen 2005.
M. Koenen, Stralend in gestrenge samenhang. Ida Gerhardt en de klassieke oudheid, Groningen 2002.
W. de Moor, Ida Gerhardt en haar niet aflatende lezer, Streven April (2006), blz. 342–351.
A. Reitsma, Een naam en ster als boegbeeld. De poëzie van Ida Gerhardt in symbolistisch perspectief, Idsegahuizum 1998.
R.M. Rilke, Brieven aan een jonge dichter, Weesp 1985.
J. Vandenbroucke, ‘Ik val verder best wel mee’, De Morgen Boeken 04/01/2006 (2006), blz. 6–7.
M.H. van der Zeyde, De hand van de dichter. Over Ida Gerhardt, Amsterdam 1982.
M.H. van der Zeyde, De wereld van het vers. Over het werk van Ida Gerhardt, Amsterdam 1992.