Achteraf zijn we allemaal achteraffers

Achteraf zijn we allemaal achteraffers.

Over voer voor koeien en in memoriam Herman de Coninck (+mei 1997).

De laatste maanden priemen er in allerlei media meer dan me lief is artikels  over mogelijke manieren om de broeikasgasuitstoot te verminderen van de veeteeltindustrie, d.i. van de fabrieken van runderen en van andere verstandelijk begaafde levende soorten. Zo ook eergisteren opvallend in een kwaliteitskrant. ! Onder de titel ‘Vlaamse koeien ingezet tegen opwarming aarde ‘  wordt licht euforisch gesignaleerd dat het in de nabije toekomst meer dan waarschijnlijk wordt dat, met meer tijm en look in de voeding, de adem van minstens het herkauwende vee minder broeikasgassen zal bevatten. In dezelfde beweging wordt gesuggereerd dat we dus rustig kunnen doorgaan met onze vleesindustrie op de wijze waarop we reeds meerdere decennia bezig zijn.

Na enige krampen in mijn maag, enkele steken tussen mijn sinussen en een verzwikking van mijn rechterenkel door tegen het park van mijn kleinste erfgenaam aan te botsen — hoewel die op dat moment wellicht nog aan het dromen was van zijn eerste vleesloze voeding van de dag -, gingen mijn gedachten als vanzelf uit naar de weldra 14 jaar dode Herman de Coninck omwille van zijn  wel vaker in deze contreien toepasselijke boutade  ‘Achteraf zijn we allemaal achteraffers’.

De oorzaak van deze nog ochtendlijke wending van mijn gedachten had te maken met het ontbreken van een wezenlijk cruciaal, objectief te verifiëren en wereldwijd voortschrijdend inzicht bij de zogezegd op hun hersenen terende actieve elite der wetenschappelijke onderzoekers van het dierenrijk – u herinnert het zich zeker nog hoe de meester van de lagere school onze planeet simpelweg opdeelde in het mensdom, het dierenrijk en de plantenweelde.

Ik probeer dit in wat volgt uit te leggen. Bij voorbaat excuus voor het cijfermateriaal, maar zonder gebruik ervan zou ik door menig landgenoot wellicht als onnozelaar worden opzij gezet. Mijn bronnen laat ik weg om het geheel voldoende verteerbaar te houden en haaks op mijn aangeboren afwijking tot poëtisch taalgebruik, kies ik om strategische redenen voor de makkelijker te smaken prozaïsche toon.

In Vlaanderen ligt de dagelijkse consumptie van dierlijke eiwitten meer dan anderhalve keer hoger dan de om gezondheidsredenen aanbevolen hoeveelheid van 75 à 100 g. In 1959 at de Vlaming gemiddeld 59 kg vlees per jaar, in 2010 nog ongeveer 90 kg per jaar. Erkend wordt dat ons voedingspatroon met een hoog aandeel dierlijke eiwitten niet uitbreidbaar is naar een wereldbevolking van 9 miljard in 2050. Wat, hoe en hoeveel we eten mag dan een hoogstpersoonlijke keuze zijn, toch heeft deze keuze behalve op onze gezondheid ook implicaties op het leefmilieu wereldwijd. Ik geef een gebald overzicht van enige directe milieuproblemen gerelateerd aan overconsumptie van dierlijke eiwitten.

Ten eerste de ontbossing. Per jaar gaat 3 miljoen hectare verloren omwille van veeteelt. 88% van de ontbossing van het Amazonewoud  staat in functie van de aanleg van graasland en maïs– en sojaplantages voor veevoeder.

Ten tweede is de veeteelt verantwoordelijk voor de uitstoot van 18% van alle broeikasgassen en is zo één van dé nefaste spelers in de klimaatopwarming.

Ten derde worden bodem, water en medemensen, onzichtbaar voor het blote oog maar blijvend, aangetast ten gevolge van overmatig gebruik van pesticiden, kalmeermiddelen, groeibevorderaars en medicamenten zoals antidepressiva bij dieren.

Ten vierde is overbevissing bedreigend voor bepaalde vispopulaties zoals kabeljauw en tonijn en, ten gevolge van het fenomeen van de bijvangst, sterft per kg garnaal 5,7 kg zeedier. Bovendien wordt twee derden van het vismeel ingezet als voeder voor varkens en kippen.

Ten vijfde is de watervoetafdruk van de vleesindustrie decadent te noemen. Per kg rundvlees is 16.000 l water nodig, per kg varkensvlees en kip 4.500 l  water. Daartegenover staat dat voor de productie van 1 kg sojabonen 1.800 l water nodig is en per kg peulvruchten 350 l water.

Ergerlijk en kortzichtig is ook het beslag dat de vleesindustrie legt op potentiële landbouwgronden. Er is immers 7 kg graan nodig voor productie van 1 kg rundvlees, ofschoon 80% van het veevoeder, voornamelijk van maïs en soja, ook rechtstreeks geschikt is voor de mens !

Kort samengevat zal het verminderen van de emissies per kg vlees en vis door veranderen van de samenstelling van het veevoeder langs geen kanten volstaan om de impact op het leefmilieu van overconsumptie van vlees voldoende te milderen. Wereldwijd worden er jaarlijks naar schatting 4 miljard zoogdieren en 55 miljard vogels gedood om het mensdom te voeden en wordt er 144 miljard kg vis gegeten. De meeste dieren worden gedood na een lange lijdensweg in de stallen en de slachthuizen van de dierenindustrie. Aan de totaal foute gevolgtrekking dat dierenleed niet zo erg is omdat dieren minder verstandelijke vermogens hebben en dus minder beseffen wat pijn is, ga ik hier met de grootste moeite voorbij, evenals aan de wetenschappelijk even onzinnige premisse dat dieren speciaal ‘ontworpen’ werden om door ons opgegeten te worden alsof ons omnivoor lichaam ons zou verplichten om vlees te eten om te overleven.

Mensen hebben geen vlees nodig om te overleven, zeker niet in geïndustrialiseerde landen, we kunnen kiezen tussen een omnivoor en een herbivoor voedingspatroon, een evenwichtig en gevarieerd vleesarm voedingspatroon is niet ongezonder dan vlees eten. Om al deze redenen lijkt het me perfect verdedigbaar dat er niet langer Vlaams overheidsgeld wordt aangewend voor het kruiden van het veevoeder om de broeikasgasuitstoot van de te intensieve veeteelt drastisch te verminderen : er worden gewoonweg teveel lieve beesten geproduceerd ! Het vrijgekomen budget zou kunnen gebruikt worden om, geheel gratis, over de 6 miljoen Vlamingen die dit land blijft tellen een frivool uitgegeven herdruk van Over de troost van pessimisme te verspreiden,  die begeesterende essaybundel over poëzie van de reeds in dichtersstad zalige Herman de Coninck.

 
Sacha Blé, 6 mei 2011.